Ik sloeg mijn tekenblok open en nam een blanco blad voor me. Daarna schroefde ik het dopje van een inktflesje en koos een kroontjespen uit. Uit gewoonte likte ik even aan het pennetje voor ik hem in het flesje doopte; de smaak van inkt vulde mijn mond. Ik wist van tevoren nooit wat ik zou gaan tekenen. Meestal begon ik met een lichaamsdeel, van waaruit de tekening zich dan verder ontwikkelde. Het ene beeld riep als het ware het andere op. De tekening gebruikte mij om zichzelf te scheppen. Iets boven het midden van het papier begon ik uiterst gedetailleerd een oog te tekenen. Het oog keek me zeer doordringend aan. Toen ik vervolgens met de rimpeltjes rond het oog bezig ging, merkte ik dat ze overgingen in boomschors. Het werd blijkbaar een boomstam met een oog. Boven het oog begonnen dennentakken te ontspruiten, die allemaal, op één na, naar rechts groeiden. In de eigenwijze tak die naar links groeide, bungelden spiegelende kerstballen. In iedere bal werd weer een ander landschap weerspiegeld.

Fragment uit 'De Zomer van '75' (Verhalenbundel Textes du Siècle Siecle', Utrecht, 2000)